Slider

UU onderzoek kwaliteit kinderopvang'Het zit hem in de details'

In opdracht van Het Kinderopvangfonds voerde de UU een onderzoek uit op basis van data die in het kader van de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang (LKK) zijn verzameld in de jaren 2017 t/m 2019. Pauline Slot en Paul Leseman hebben de belangrijkste principes van IKC’s - zoals o.a. omschreven door Veen en collega’s (2020) – afgeleid uit het databestand van de LKK. Ze hebben naar kenmerken gezocht in die data die als passende operationaliseringen van principes van een IKC kunnen gelden. De LKK is immers niet opgezet als onderzoek dat zich specifiek richt op IKC’s. Ondanks deze beperkingen kan een aantal conclusies worden getrokken.

Het antwoord op de eerste onderzoeksvraag luidt ontkennend. IKC’s als zodanig doen het niet beter, ook niet slechter, dan reguliere instellingen voor kinder- en peuteropvang en buitenschoolse opvang. Het is van belang om te bedenken dat de betreffende instellingen zichzelf als IKC hebben gedefinieerd. Om de tweede vraag te beantwoorden - over verschillen in kwaliteit tussen IKC’s - is met verschillende indicatoren van kwaliteit onderscheid gemaakt tussen IKC’s van relatief hoge en IKC’s van relatief lage kwaliteit. Er komen systematische verschillen tussen IKC’s van lagere en hogere pedagogische kwaliteit uit de steekproef naar boven. Deze verschillen zijn terug te voeren op een aantal beleids- en organisatiekenmerken. Hieruit zijn aanbevelingen af te leiden voor de doorontwikkeling van het concept kindcentra en de implementatie ervan in lokale situaties.

  • Het is belangrijk IKC’s vorm te geven op basis van een omvattend concept waarin de maatschappelijke missie, pedagogische visie en het zorgbeleid in samenhang worden beschreven, en dat afgestemd is op de voorkeuren en behoeften van de lokale klantengroep. Dit concept is herkenbaar, dient als leidraad voor interne professionaliseringsactiviteiten, wordt gedragen binnen de hele organisatie, en is de grondslag voor samenwerking met externe partners.
  • De missie en visie dienen herkenbaar uit te gaan van de brede ontwikkeling en educatie van kinderen, inclusie van kinderen met beperkingen of andere ondersteuningsbehoeften, inclusie van kinderen met een andere culturele of religieuze achtergrond, en het bevorderen van kansengelijkheid en emancipatie van achterstandsgroepen.
  • Het is aan te bevelen een ruim aanbod te doen van verschillende professionaliseringsactiviteiten voor alle pedagogisch medewerkers en frequent als team te overleggen om gezamenlijk het dagelijkse programma vorm te geven, te evalueren en verder te ontwikkelen.
  • De participatie van kinderen, met name hun rol in de ontwikkeling en vormgeving van het pedagogisch beleid en programma van activiteiten, dient formeel geregeld te worden, bijvoorbeeld in de vorm van periodieke gesprekken met kinderen, kinderenquêtes (in de buitenschoolse opvang) en het systematisch bij ouders informeren naar de beleving en wensen van kinderen.
  • In de voorschoolse kinder- en peuteropvang is het aan te bevelen om een meer doelgericht en gebalanceerd aanbod van vrije, creatieve en educatieve activiteiten aan te bieden. In de buitenschoolse opvang is een vrijer programma aan te bevelen, dat complementair is aan de (gestructureerde) schooldag en minder nadruk legt op ontwikkelingsstimulerende activiteiten.
  • In de voorschoolse kinder- en peuteropvang is het belangrijk thematische activiteiten voor ouders te bieden en ouders, via groepsbijeenkomsten, te betrekken bij de opvoeding en ontwikkeling van hun kind en bij het beleid van het centrum. In de buitenschoolse opvang is versterking van de participatie van ouders in gezamenlijke activiteiten (bijv. sportmiddagen en festiviteiten) aan te bevelen.
  • In de voorschoolse kinder- en peuteropvang is versterking van de netwerksamenwerking met zorg- welzijns- en educatieve instellingen in de buurt aan te bevelen en dient naar diepe samenwerking met basisscholen te worden gestreefd, waaronder gezamenlijk overleg over het pedagogisch beleid, afstemming van het educatieve programma en gezamenlijke activiteiten op het gebied van professionalisering. In de buitenschoolse opvang is juist een complementaire verhouding met het basisonderwijs aan te bevelen.

 IKC-leider Teun Dekker reflecteert op het onderzoek
“Eigenlijk worden er niet opvallend grote verschillen geconstateerd tussen traditioneel onderwijs en kinderopvang en Integrale Kindcentra”, constateert IKC-leider Teun Dekker na het lezen van het onderzoek: ‘Kwaliteit van integrale kindcentra, een eerste verkenning van onderscheidende factoren’’. Een studie die in opdracht van PACT voor Kindcentra is uitgevoerd door de Universiteit van Utrecht.
“Niet zo vreemd”, denkt Dekker omdat door de bank genomen de kwaliteit van onderwijs en kinderopvang in Nederland prima op orde is. “Het zit hem in de details en dan zie je bijvoorbeeld dat er binnen Integrale Kindcentra (IKC’s) meer aandacht is voor de samenwerking met andere partijen.”
Teun Dekker, in het dagelijks leven directeur/bestuurder van IKC De Kroevendonk uit Roosendaal, vindt het jammer dat er zo weinig over inclusie naar voren komt in het onderzoek: “Helaas, want juist binnen een IKC heb je de mogelijkheid om echt werk te maken van inclusie. Ik ken praktijken waar men daarin heel ver is. Maar ik constateer ook dat op veel plekken eerst aan integratie van organisaties wordt gewerkt en dat er daarna pas ruimte ontstaat om na te denken over inclusief werken.”

In hun eigen omgeving
Een aanpak die voor Teun Dekker ver af staat van de dagelijks praktijk, met name omdat zijn IKC juist is ontstaan vanuit de behoefte om onderwijs te kunnen bieden aan alle kinderen uit de wijk. “Wij zijn hier in Roosendaal 20 jaar geleden vanuit het onderwijs begonnen met het creëren van een omgeving voor ieder kind uit deze wijk. Ook als het even lastig werd wilden we er kunnen zijn. Alle kinderen moesten de mogelijkheid krijgen zich in hun eigen omgeving met hun eigen vriendjes te ontwikkelen. Niet ergens anders. Vanuit die aanpak ontstond al snel de behoefte om in een vroeger stadium de mogelijkheid te bieden samen te kunnen spelen en leren. Dus zonder die breuk bij de start van de basisschool. Voor ons was het een logische stap om kinderopvang en onderwijs meer op elkaar af te stemmen.”

Stof tot nadenken
Alhoewel het rapport geen spectaculaire uitkomsten heeft, zet het Teun Dekker wel aan tot nadenken. “Bijvoorbeeld over de participatie van kinderen en ouders. In het onderzoek wordt aanbevolen dat formeel goed te regelen. Dat hebben wij gedaan via een leerlingenraad en door het introduceren van actief ouderschap. Heel waardevol, maar tegelijkertijd puzzelt het me hoe je de balans goed vasthoudt tussen formele en informele contacten. Want ook die informele contacten zijn enorm belangrijk. En hoe voorkom je dat de formele kanalen op een gegeven moment nog de enige participatiekanalen zijn en je de informele contacten verliest? Participatie van en communicatie met ouders en kinderen moet ook gestimuleerd worden op de werkvloer, in het klaslokaal. Directe betrokkenheid heeft een grote invloed op het welbevinden, van iedereen. Als je bijvoorbeeld kinderen zelf verantwoordelijk maakt voor zaken heeft dat een heel positief effect op hun gedrag, ook bij kinderen met beperkingen. Talenten van kinderen maak je zichtbaar door participatie.”

Samenwerken
Teun Dekker deelt het belang dat de onderzoekers hechten aan samenwerking. Specifiek over de integratie van jeugdhulp. “Een flinke klus om dat te organiseren, in ieder geval voor ons. Terwijl het zo belangrijk is om dat goed te doen. Het liefst heb ik het schoolmaatschappelijk werk in mijn organisatie, maar dat is echt een strijdpunt met de gemeente. Ik vind dat wij nog veel te veel moeten verwijzen, terwijl je het liefst ouders en kinderen op de eigen locatie, laagdrempelig en via bekende gezichten wilt kunnen helpen. We zouden het heel mooi kunnen koppelen aan de participatie van ouders. Bijvoorbeeld via themaochtenden met daarna ‘koffiemomenten’. Er ontstaat dan informeel contact waaraan je heel goed het maatschappelijk werk kunt koppelen, die dan desgewenst individueel met ouders verder kan. Gelukkig zegt het rapport ook dat we die kant op moeten.”
Hij onderschrijft en herkent de aanbevelingen uit het rapport, maar kan de laatste niet goed plaatsen. “Het belang van samenwerking wordt daar beschreven en er wordt een duidelijk verschil gemaakt tussen de voorschoolse- en buitenschoolse opvang. Bij de eerste wordt aanbevolen de netwerksamenwerking te versterken en bij de tweede om een complementaire verhouding met het basisonderwijs te organiseren. Ik zie dat verschil niet. Ik denk dat voor beide partijen een goede netwerksamenwerking en een complementaire verhouding met het onderwijs essentieel is. Natuurlijk zijn er accentverschillen maar ook in de buitenschoolse opvang heb je te maken met zorg en welzijn, bijvoorbeeld via het jongerenwerk. Ik zou aanbevelen dat alle partijen rondom kinderen van 0 tot 14 jaar samen zouden moeten werken. Juist door intensieve samenwerking kun je wat bereiken.”

Houd lokale omgeving in ogenschouw
Teun Dekker vindt het goed dat de onderzoekers de term IKC niet heel scherp hebben gedefinieerd. “Scherpe definities maken helder, maar sluiten ook uit”, constateert hij. Hij vindt het belangrijk – ook bij het lezen van dit rapport – om altijd de omgeving in ogenschouw te houden bij de beoordeling van IKC’s: “Het is goed om te kijken naar regionale en lokale verschillen. Wij kunnen bijvoorbeeld niet zeggen tegen onze ouders: je bent verplicht om kinderopvang af te nemen. Op andere plekken gebeurt dat wel. Scherpere normen hadden waarschijnlijk geleid tot een helderder onderscheid tussen een reguliere en integrale aanpak, maar ik hecht juist aan de ruimte voor lokale verschillen. In een klein dorp heb je nu eenmaal een andere aanpak nodig dan in een achterstandswijk. Het zou wat dat betreft goed zijn dat de overheid eindelijk besluit dat kinderopvang voor bijvoorbeeld 10 uur per week wordt gezien als gratis basisvoorziening waar ieder kind recht op heeft.”
De termen beter of slechter in relatie tot een IKC vindt Dekker lastige begrippen. “Ik merkte dat ik ook echt even door de - in het rapport gebruikte - termen van hoge en lage kwaliteit moest heen kijken om me echt te kunnen focussen op de inhoud van het onderzoek.” Hij vindt het overigens wel heel belangrijk om echt vanuit de inhoud een IKC te zijn: “Je hebt nu nog organisaties die alleen maar in naam IKC zijn. Maar om een IKC te kunnen zijn heb je visie nodig. Het is misschien logisch dat sommige organisaties zich in eerste instantie richten op regelgeving en voorwaarden, maar ik zeg altijd: begin bij de inhoud, dan volgt de rest vanzelf.”

De grote les
En de inhoud moet volgens Teun Dekker altijd geleid worden door de inclusiegedachte. “De grote les die ik uit het rapport haal is dat je als IKC niet zozeer op regelgeving onderscheidend bent, maar dat je vanuit je missie en visie het verschil kunt maken. Hoe kijk je naar kinderen, hoe observeer je, wat motiveert? En heb aandacht voor de ontwikkeling van de professionaliteit van de medewerkers. Hoe doe je het echt samen? Alle kinderen moeten welkom zijn. Wij zijn een IKC gekoppeld aan een boodschap van inclusie en ik pleit dan ook veel meer aandacht daarvoor.”